Posts tonen met het label leiderschap in de Gemeente. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leiderschap in de Gemeente. Alle posts tonen

woensdag 10 februari 2010

Podium en Gemeente – deel 8

.

Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.





Hoofdstuk 8
Ouderlingen en diakenen in de praktijk van de Gemeente

Ouderlingen en diakenen moeten werken met inzicht en eensgezind zijn
Er zijn zoveel christenen die denken dat het dienen van God slechts gebeuren kan met “podiumwerk”, met het spreken vanaf het podium, daarom vlassen[1] velen vooral op dit werk. De andere aspecten of dienstbetoon aangaande het werk in Gods geestelijk Koninkrijk zien zij niet en willen zij niet zien. In hun ogen is een goede ouderling van minder waarde is dan de allerberoerdste “voorganger”, maar… God kan die ouderling zo gebruiken dat het werk in de Gemeente tòch door- en voortgaat, ondanks die “beroerde” voorganger. Zoals God ons ook (als voorbeeld) te zien geeft in de Bijbel. Want, waar Barak in gebreke bleef, toen hij tot actie moest komen in de Naam van de Here, gebruikte de Here zelfs een zwakke vrouw, de profetes Debora, en maakte haar tot richteres van Israël (zie Richteren, hoofdstuk 4 en 5). God passeerde zó Barak! Daarom, laten wij mannen ons ook “mannelijk”[2] gedragen in de dienst van de Here.
Laten alle arbeiders de (geestelijke) toestand in de eigen Gemeente eerlijk onder ogen durven zien. Sommige Gemeentelijke tekortkomingen liggen aan de oppervlakte, maar andere worden pas ontdekt als u MET en IN die Gemeente leeft. Hoe nodig is daarom het werk van de PLAATSELIJKE arbeiders!
Het is moeilijk voor ons, christenen, om de dingen net zo te (leren) zien als God ze ziet. En wat God ziet, aangaande het “reilen en zeilen” van de Gemeente, is altijd de waarheid. Het is niet prettig om te horen dat wij, naar Gods oordeel, behoren tot de Gemeente van Laodicea… (zie Openb. 3:14-22)[3]. De overgrote meerderheid van de Laodicea-Gemeente is in Gods ogen namelijk (geestelijk) “naakt en blind”; het zijn christenen die geen “ogenzalf” hebben, die geen geestelijk inzicht hebben. Maar als wij gewillig zijn en eerlijk, dàn zullen wij moeten erkennen dat Gods Woord de Waarheid is. Het erkennen van deze waarheid, maar ook deze Goddelijke aanklacht aangaande onze geestelijke lauwheid – die vooral stimulerend in ons zou moeten werken – moeten ons op de knieën brengen, waar wij ons voor God zullen vernederen onder belijdenis van onze tekortkomingen, zonden en gebreken. Dan pas kan God iets doen in ons persoonlijk leven en – wanneer Hij ons innerlijk VERNIEUWD zal hebben – dan kan Hij ons leren om te werken en te bidden voor het geheel!
Er wordt vandaag-de-dag veel gesproken en nagedacht over de eenheid van Gods Gemeente/Kerk, maar kan er sprake zijn van eenheid in het groot, als er in ‘het eigen Jeruzalem’, in de eigen Gemeente/Kerk, nog geen eenheid is? Bovendien is de eenheid naar de Schrift niet mogelijk door MENSELIJKE activiteiten, maar alleen door de bediening en heerlijkheid van de Heilige Geest! Eerst moeten wij PERSOONLIJK de Heilige Geest GOED ontvangen hebben en wel zó, dat Hij Zich – door ons heen – kan ontplooien en manifesteren[4]. Niet eerder kan God ons – door Zijn Geest – leren bidden voor die (Goddelijke) eenheid. Lees Johannes 17, geliefden, lees dit hoofdstuk biddend en de Geest van God zal u de waarheid laten zien; Hij zal u laten zien waarom Jezus zó voor die (Goddelijke) eenheid kon bidden. Daar was “de heerlijkheid van God” in Zijn bediening! En deze (Goddelijke) heerlijkheid hebben wij te zoeken en in deze (Goddelijke) heerlijkheid hebben wij te arbeiden!
Laten de dienaars/werkers in de Gemeente daarom EENSGEZIND, schouder aan schouder, voor de Here arbeiden. Er kan geen waarachtige eensgezindheid bestaan, als er geen NEDERIGHEID gevonden wordt, geen ware (Goddelijke) liefde; als men niet “één van ziel en één van gevoelen” is. Er kan geen Schriftuurlijke eenheid zijn als ALLEN – in het hoofd en in het hart – niet HETZELFDE denken en voelen.
“Maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel en één van gevoelen bent. Doe niets uit eigenbelang of eigendunk, maar laat in ootmoed de één de ander voortreffelijker achten dan zichzelf.” (Filip. 2:2-3, HSV)
Indien de – o zo noodzakelijke – eensgezindheid in de Gemeente in gevaar komt, dan moet er ook doeltreffend worden ingegrepen. Paulus hoorde tijdens zijn afwezigheid van de onenigheid die er bestond tussen twee arbeidsters in de Gemeente te Filippi, genaamd Euodia en Syntyche. Hij pakte de koe bij de horens en vermaande die twee bij name in zijn brief aan die Gemeente.
“Ik roep Euodia en Syntyche ertoe op eensgezind te zijn in de Here”. (Filip. 4:2, HSV)
Als er, zelfs tussen twee gelovigen in dezelfde Gemeente, een zekere rancune in het hart wordt gekoesterd, geeft dat een terugslag op die Gemeente, omdat zoiets de Geest van God bindt in Zijn manifestatie, in Zijn werkingen en (Geestes)uitingen in die Gemeente. En dit gebeurd ook als er AFGUNST wordt gekoesterd in het hart van de één ten aanzien van de ander! Kortom, als wij plaats geven aan vleselijke gevoelens boven de tucht van de Heilige Geest, dan is het einde daar! Deze vleselijke gevoelens hoeven nu niet direct overspel en/of hoererij te zijn; het kunnen relatief kleine dingen zijn, vandaar dat wij in het (Bijbel)boek Hooglied[5] lezen over “kleine vosjes” die DE WIJNGAARD BEDERVEN (zie Hgl. 2:15)! Bid daarom dagelijks in uw avond- en ochtendgebed om reiniging van uw wezen – in en door het Bloed van het Lam – en overdenk, voordat u ’s nachts gaat slapen, waarmee u de Here die dag hebt bedroefd en leg die feiten berouwvol neer aan de voet van Zijn kruis! Zó zal Hij u vergeven en vernieuwen. Laat verzoening daar zijn, eer de zon ten onder gaat, verzoening met de Here en met uw medemensen!

Kandidaten voor ouderling of diaken moeten eerst worden beproefd
Zowel bij de functie van ouderling alsook bij die van diaken is het belangrijk, en Bijbels, dat de kandidaten voor deze functie eerst worden beproefd, voordat zij tewerk worden gesteld. Wij staan aan de veilige kant, als wij doen wat God zegt. Er zijn voorschriften voor het Gemeenteleven, zoals deze, die wij niet mogen veronachtzamen, juist omdat wij leven in benarde tijden.
U kunt in de Gemeente niet “onderwijzen en vermanen”, als u aan datgene wat u onderwijst of waarin u vermaant zelf nog mank gaat. Om – vanuit een oprecht hart – te kunnen “onderwijzen en vermanen” moeten werkers eerst zelf worden beproefd of zij blijven volharden in het geloofsleven volgens de gezonde (Bijbelse) leer.
Onderwijs van iemand die zelf niet volhardt in het geloofsleven (volgens de gezonde, Bijbelse leer), mist elke geestelijke uitwerking! Daarom dient een dienaar in de Gemeente, net als elke arbeider van God, geestelijk wakker en waakzaam te blijven, opdat hij niet door de boze (d.i. door satan) wordt verleid en misleid!

Gods dienaars moeten, ondanks alles, de tucht in de Gemeente handhaven (zie noot 6)
Het valt voor een dienaar in de Gemeente, dus ook voor een ouderling of diaken, vaak niet mee om medebroeders en -zusters te vermanen en/of te bestraffen. Toch heeft God niets te maken met ons gevoel. Het gevoel is een bestanddeel van de “oude mens” en mag daarom NIET in stand worden gehouden in het Koninkrijk van God, omdat het thuis hoort bij het (zondige) “vlees” en omdat de Here wil dat wij met die “oude, vleselijk ingestelde mens” afgerekend hebben (of alsnog afrekenen). Ik wil daarmee niet zeggen dat u, als dienaar in de Gemeente, uw medebroeders en -zusters liefdeloos mag vermanen en/of bestraffen, want dan zou u van het ene uiterste naar het andere uiterste gaan. U moet er echter goed van doordrongen zijn dat u een bepaalde medebroeder of -zuster tekort doet als u niet vermaand en/of bestraft, terwijl hij of zij het wel nodig heeft. Ook doet u God tekort in wat Hij van u vraagt, ja, wat Hij van u, als Zijn dienaar, zelfs eist! Uiteindelijk doet u zo de HELE Gemeente tekort! Doen wij echter wat God wil, omdat de Geest van God ons daartoe dringt, dan zullen de Gemeenteleden God leren vrezen en zij zullen u als dienaar respecteren. Maar als u iets verkeerds in de Gemeente laat staan (d.i. niets aan een probleem of het zondige gedrag van een Gemeentelid doet), dan schept dit slechte voorbeeld weer nieuwe, soortgelijke zonden; vooral wanneer zwakke leden dit slechte voorbeeld bij u, als dienaar van de Gemeente, zien. U zult dan nooit kunnen verwachten dat de leden van die Gemeente God leren vrezen zoals het moet! Ook zullen zij ù, als dienaar in de Gemeente, niet leren respecteren. U schept zodoende een ongezonde, gemeentelijke sfeer!

Gods dienaars moeten hun plaats in de Gemeente weten
Opzieners of ouderlingen moeten ook HUN plaats in de Gemeente weten, vooral ten opzichte van hun voorganger, die de Here over die Gemeente heeft aangesteld. Zo behoren zij de samenkomsten, waar op hun bediening en aanwezigheid gerekend wordt, NIET te verzaken, tenzij met medeweten èn instemming van hun voorganger.
Tot zover, als inleiding, iets over “de plichten van opzieners (of ouderlingen) en diakenen in de Gemeente”. Nu willen wij nagaan waar de bedieningen van ouderlingen – en wel in de meer beperkte betekenis van het woord (dus in de betekenis van: helpers van de voorganger van de plaatselijke Gemeente, in de geestelijke zaken, dus om de Gemeente te helpen wijden) – en die van diakenen praktisch op neerkomen.

KLIK HIER om deze studie (deel 8) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen![7]

CJH Theys[8]

[1] Vlassen = Sterk verlangend of begerig uitzien naar.
[2] Mannelijk = Zoals – vooral Bijbels en geestelijk gezien – van een man verwacht wordt. Een man die zich manifesteert als een “geestelijk VOLWASSEN man” en die jaagt naar “de mate van de grootte van de volheid van Christus (zie Ef. 4:13).
[3] Zie eventueel de studie “Tot welke Gemeente behoren wij?”, van H. Siliakus/A. Klein, op ons Weblog van 24-1-2010.
[4] Manifesteren = Zich (door ons heen) openbaren. Openbaren = Bekend of zichtbaar doen worden. Bovennatuurlijke waarheden bekendmaken. Waarneembaar worden.
[5] Zie eventueel – op onze website www.eindtijdbode.nl/ – de studie: “Beschouwingen over het boek Hooglied (over de innige band tussen Bruid en Bruidegom)” van H. Siliakus.
[6] Wij hopen over enkele maanden de studie “Gemeentelijke tucht” van CJH Theys op onze website te plaatsen.
[7] Voor deel 1 t/m 7 van “Podium en Gemeente”, zie ons weblog van 4/6, 10/7, 10/8, 10/9, 10/10 en 10/11, 10-12-2009 en 10-1-2010.
[8] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23-8-2009.
• De 1ste uitgave van deze studie was omstreeks 1970 (in boekvorm). Deze hernieuwde versie is door ons bewerkt naar (meer) HEDENDAAGS Nederlands.


zondag 10 januari 2010

Podium en Gemeente – deel 7



Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.





Hoofdstuk 7
Ouderlingen en diakenen

Wat wordt in Gods Woord onder opziener of ouderling verstaan?

Uit de brief van Paulus aan Timotheüs leren wij, dat er twee soorten van opzieners of ouderlingen zijn.
“Bewijs aan ouderlingen die goed regeren, dubbele eer, vooral aan hen die arbeiden in het Woord en in de leer.” (1 Tim. 5:17, HSV)
Er zijn dus ouderlingen of opzieners in de meer beperkte betekenis van het woord, dus in de (gangbare) betekenis van: helpers van de voorganger van de plaatselijke Gemeente, in de geestelijke zaken, dus om de Gemeente te helpen wijden, en te helpen om over de Gemeente te “regeren”, zoals bovenstaande Bijbeltekst het uitdrukt. Onder ouderlingen of opzieners in de ruimere zin van het woord verstaat men: apostelen, herders, evangelisten en leraars. Dit zijn degenen “die arbeiden in het Woord en in de leer”. Maar… deze laatstbedoelde ouderlingen moeten zich echter niet méér achten dan de eerstbedoelde; want de christelijke gulden regel[1] zegt immers, dat “de één de ander voortreffelijker moet achten dan zichzelf” (zie Filip. 2:3). Deze laatstbedoelde ouderlingen hebben de gave van het Woord ontvangen, zij het in verschillende zin en mate, als een roeping van Gods Geest en niet uit zichzelf! En wat willen wij doen of zeggen, als de Heilige Geest hen daarvoor (d.i. voor die taak of bediening) wil gebruiken! Gods Geest is supreme en souverein (d.i. Hij is de Allerhoogste en een Oppermachtig Heerser)! Glorie voor God. Zo heeft Gods Geest Filippus en Stefanus geroepen als evangelisten, terwijl de Gemeente van Jeruzalem (onder leiding van de 12 apostelen, zie Hand. 6:2-5), hen tot diakenen had aangesteld. En de apostelen dachten er geen moment aan om tegen de wil van Gods Geest in te handelen.
Vandaag-de-dag zouden vele voorgangers dit echter wèl doen, wèl tegen Gods Geest ingaan, gedreven door menselijke kortzichtigheid en angst voor concurrentie, al gaat het doordrijven van hun eigen wil onder het mom van “het willen doen wat de Heilige Geest hen heeft geopenbaard”! In feite zijn zulke voorgangers bang dat die ouderling zich ontwikkelt in de lijn van ‘openbaarder van Gods verborgenheden’ en zij laten niet toe dat Gods Geest beslag krijgt op zijn leven door – op menselijke wijze – paal en perk te stellen aan zijn arbeid. Zij geven zo iemand gewoonweg géén gelegenheid. Soms leidt men hen wel op, maar men vertelt ze toch niet alles, bang als deze voorgangers zijn dat zulke ouderlingen hen straks zullen overvleugelen (d.i. in het geestelijke zullen overtreffen)!
De Heilige Geest werkt echter heel anders, namelijk op de manier zoals Hij dat ook door een rechtgeaarde[2] arbeider als Paulus kon bewerkstelligen: “Want ik heb niet nagelaten u heel de raad van God te verkondigen.” (Hand. 20:27, HSV)
Datgene wat Paulus van de Heilige Geest ontvangen had gaf hij ook aan zijn jongere medegelovigen door en bewaarde dat niet voor zichzelf. Glorie voor Jezus!
Wel mijn broeders en mede-voorgangers, wij hoeven niet bang te zijn voor concurrentie of voor al dat soort dingen, want als wij hieraan beginnen, komen wij zelf geestelijk niet vooruit, omdat wij de Heilige Geest hierin weerstaan! Wij laten ons dan leiden door ons vlees! En God zal onze kandelaar, als wij Hem getrouw en oprecht dienen, heus niet van zijn plaats wegnemen![3] Zijn wij niet ALLEN van Hem afhankelijk? De Here Jezus Christus was nooit bang voor concurrentie. Hij maakte Zijn discipelen deelgenoot van Zijn heerlijkheid; Hij vertelde hun over heel de raad van God”; Hij leidde hen dieper in Gods Woord, dieper dan de massa die het nog niet kon dragen. Dat Hij hun nog niet alles heeft kunnen vertellen, is begrijpelijk, als wij het raadsplan van God kennen en de geestelijke tekortkomingen van Zijn discipelen zien, ondanks Zijn leiding. Zelfs nog bij Zijn hemelvaart vroegen ze Hem of Hij Zijn Koninkrijk NU ging openbaren… Ondanks alles hadden zij nog steeds een aards koninkrijk voor ogen en verlangden zij naar de grootheid van Israël, met Hem als Koning!

De Schriftuurlijke voorwaarden, waaraan opzieners of ouderlingen hebben te voldoen
“Dit is een betrouwbaar woord: als iemand verlangen heeft naar het ambt van opziener, begeert hij een voortreffelijk werk. Een opziener nu moet onberispelijk zijn,
1. de man van één vrouw,
2. nuchter (SV: wakker),
3. matig,
4. eerbaar,
5. gastvrij,
6. bekwaam om (Gods Woord) te onderwijzen,
7. niet verslaafd aan (SV: niet genegen tot) wijn,
8. niet vechtlustig (SV: geen smijter)[4] ,
9. niet uit op schandelijke winst, maar welwillend (SV: bescheiden)[5] , niet strijdlustig en niet inhalig.
10. Hij moet zijn eigen huis goed besturen, zijn kinderen onderdanig houden, in alle eerbaarheid. (Want als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij voor de gemeente van God zorg dragen?)
11. Hij mag geen pasbekeerde zijn, opdat hij niet hoogmoedig wordt en daardoor onder het oordeel van de duivel valt.
12. En hij moet ook een goed getuigenis hebben van buitenstaanders, opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel terechtkomt.” (1 Tim. 3:1-7, HSV)
Dit Bijbelgedeelte begint met de eis dat een opziener ONBERISPELIJK moet zijn: er mag niets op hem aan te merken zijn in zijn “handel en wandel”. Dan vervolgt het Woord met een opsomming van zaken waarin een opziener onberispelijk moet zijn.

1. Een opziener moet “de man van één vrouw” zijn

Vóór alles moet een opziener of ouderling onberispelijk zijn in zijn huwelijksleven; hij moet zijn: DE MAN VAN ÉÉN VROUW. Wat wil dat zeggen? In deze Bijbelse manier van zeggen ligt het “niet-gescheiden-mogen-zijn” opgesloten. Immers, al is iemand voor de (aardse) wet gescheiden, dan is hij dat nog niet voor God; want een huwelijk wordt bij God slechts ontbonden door de dood! In het licht van Gods Woord heeft een gescheiden man, die daarna weer hertrouwd is, dus twee vrouwen, al heeft hij in het geheel geen gemeenschap meer met zijn eerste vrouw. Een gescheiden man zal dus nooit opziener in de Gemeente mogen zijn! Denk erom, ik spreek over een gescheiden en hertrouwd zijn in de bekeerde staat. Wat de betrokkene vroeger, als heiden, gedaan heeft en hoe hij toen geleefd heeft, is een geheel andere zaak. Gods Woord richt zich tot christenen, tot kinderen van God. Dit niet-gescheiden-mogen-zijn slaat op ùw leven, nàdat u zich hebt bekeerd. Het doet er dus niet toe, hoe uw huwelijksleven was vóór u zich bekeerde; u leefde toen in duisternis en wist niet, hoe God het wilde hebben. NU staat u echter in het Licht van God en uw leven hebt u dus nu te richten naar Zijn Woord; want u hebt nu Jezus Christus aangenomen als uw Levensheer. Wat de Here ONheilig acht, mag door u niet heilig worden geacht. God heeft het voor het zeggen in Zijn Wijngaard, in Zijn Gemeente, in Zijn Lichaam.
Als de Bijbel spreekt van “man-van-één-vrouw”, dan houdt dit in dat een opziener een gehuwd man moet zijn; en wel NAAR BEHOREN getrouwd. Hij mag niet zo maar “in vrije liefde” met een vrouw samenleven, zoals dit vandaag-de-dag veel gedaan wordt in de wereld. Hij moet een christelijk huwelijk en huwelijksleven kennen.
Vanzelfsprekend sluit deze uitdrukking “man-van-één-vrouw” iedereen voor het ambt van opziener of ouderling uit die – openlijk of bedekt – in bigamie[6] leeft; en ook iedereen, die naast hun wettige vrouw nog “amourettes” hebben.

2. Een opziener moet (in geestelijke zin) “wakker” zijn
Vervolgens moet een opziener of ouderling WAKKER zijn, dus niet (in geestelijke zin) slapen. Zijn gedachtenwereld moet méér in beslag genomen worden door de dingen van de Geest; die moeten in hem de overhand hebben – dus niet de dingen van het vlees, de dingen van het alledaagse leven – om de Here in de Gemeente (steeds wéér en méér) dienstbaar te kunnen zijn. Natuurlijk mag hij zijn werk in de maatschappij, als hij dat (nog) heeft, niet verwaarlozen; hij moet ook daar een arbeider zijn op wie men aan kan, zodat de Naam van de Here daarom niet gelasterd zal worden. Maar de tijd die over blijft moet hij zo veel mogelijk aan de Here wijden.
Hoe meer zijn geest bevangen wordt met de dingen van deze wereld, hoe minder bekwaam hij zal zijn om de geestelijke dingen van de Heilige Geest te ontvangen; hoe minder bekwaam hij zal zijn om, temidden van de Gemeente, zijn werk als opziener of ouderling te kunnen doen.
“Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.” (Kol. 3:1-3, HSV)
“Want het bedenken van het vlees is de dood, maar het bedenken van de Geest is LEVEN en VREDE.” (Rom. 8:6, HSV)
“En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar wordt innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid (d.i. van uw denken), om te kunnen onderscheiden wat de wil van God is, namelijk de goede en welgevallige en volmaakte.” (Rom. 12:2, HSV)

3. Een opziener moet “matig” zijn
MATIGHEID moet worden betracht in alles, vooral op zinnelijk gebied. Hier valt het eten en drinken onder, maar boven alles, waar een opziener tòch een getrouwd man moet zijn, het seksuele leven. Daar is véél onmatigheid op dit gebied. God vraagt van u matigheid in uw seksuele leven. Hoe kunt u anders, wat dit betreft, de jongeren tot voorbeeld zijn? Jongeren die nog in hun “Sturm-und-Drang” periode (van onstuimigheid en dadendrang) zijn, die nog een leven kennen, waarin de driften hun nog ruimschoots parten spelen. Pas als uw lusten niet meer centraal staan, kunt u een leven leiden dat aan Gods Geest onderworpen is! Zeg niet, dat het ONmogelijk is. Bij God zijn ALLE dingen mogelijk. Hij kan alle zondige werkingen van het lichaam doden door het Vuur van de Heilige Geest.
“Want als u naar het vlees leeft, zult u (geestelijk gezien) sterven. Als u echter door de Geest de (zondige) praktijken van het lichaam doodt, zult u (geestelijk gezien) leven.” (Rom. 8:13, HSV)
Nu moet u ook weer niet denken dat de Rooms-Katholieken, met hun celibaat, het bij het rechte eind hebben. Helemaal niet, want die eis staat niet vermeld in Gods Woord. Sterker nog, God Zèlf heeft het huwelijk ingesteld en gezegd dat een opziener “de-man-van-één-vrouw”, dus een getrouwd man, moet zijn. Maar wij moeten gereinigd (willen) worden van onze zondige, vleselijke lusten en onze wandel moet daarom “gekuist”[7] worden door gewillig – achter Jezus aan – de kruisweg te volgen; weliswaar levende te midden van deze wereld, maar niet behorende tot deze wereld! Het geheim van een overwinnend (geestelijk) leven is, naast een onwrikbaar geloof (in het, voor ons persoonlijk, volbrachte offer van Christus aan het kruishout van Golgotha), het beslist kennen van een in alle opzichten – dus ook in het seksuele – overgegeven leven aan onze Here Jezus Christus. Dan worden wij door Gods Geest gelouterd in het Vuur van Zijn Wezen. Alleen zo kunt u, net als Paulus, uw lichaam – DOOR DE HEILIGE GEEST – bedwingen en het tot dienstbaarheid brengen aan onze Here Jezus Christus, en aan Zijn Gemeente. Halleluja! Hebt u wel eens een kaars zien opbranden? Zij brandt het helderst, als zij op haar eind is. Zo is het ook met uw en mijn leven. Hoe meer het kruisproces in ons wezen voltooid wordt, hoe wonderbaarlijker ons getuigenis en arbeid voor de Here is. Geprezen zij Zijn wonderbare Naam!
In het huwelijksleven moeten man èn vrouw deze kruisweg in Jezus Christus willen volgen, anders is er geen houden aan! Gods Woord onderkent de grote kracht van de seksuele drift, want er staat geschreven:
• “Onttrek u niet aan elkaar, behalve met onderling goedvinden voor een bepaalde tijd, om u te wijden aan vasten en bidden. Kom daarna weer bij elkaar, opdat de satan u niet zal verzoeken, OMDAT U ZICH NIET KUNT ONTHOUDEN.” (1 Kor. 7:5, HSV)
Daarom moeten wij ook niet meer willen doen dan de genade van God in het leven van beiden, man èn vrouw, heeft bewerkt. Altijd moeten wij in ons leven een geestelijk evenwicht handhaven en nooit naar één kant doorslaan. Dit is nooit Gods wil. "Overgeestelijkheid" wordt nooit veroorzaakt door de Heilige Geest, maar is een vrucht van het vlees dat voor Jezus uit wil lopen! Kom daarom beiden tot Jezus met hetzelfde gemoed en hetzelfde gevoelen. God wil dat wij, net als Abraham, tegen de Here zeggen: “Zie, hier ben ik”! (Gen. 22:1c). Laat God over uw leven beschikken! Wat wij, mensen, niet kunnen, dat doet Hij! Hij zal ons herscheppen door Zijn Woord, zoals er geschreven staat in Psalm 107 vers 20: “Hij zond Zijn Woord en heelde hen!”
Prijs Zijn wondervolle Naam! God zit nog altijd op Zijn troon; Hij is almachtig! Hij zal Zijn weg gaan in uw hart en leven, als u wilt leren om datgene te willen, wat Hij wil. Dan zal HIJ het doen. Halleluja!

KLIK HIER om deze studie (deel 7) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen![8]

CJH Theys[9]

[1] Een gulden regel = Een wijze vermaning of een goede raad.
[2] Rechtgeaard = De goede aard (of natuur) hebbend. Ook wel: Echt of rechtschapen (d.i. eerlijk).
[3] Een waarschuwing uit Openbaring 2:5 aan de Gemeente te Efeze, bestemd voor christenen die zich niet willen bekeren (d.i. afkeren van hun liefdeloze en dus zondige “handel en wandel”).
[4] De (tussen haakjes) toegevoegde woorden vanuit de oude Statenvertaling (SV) is in dit Bijbelgedeelte vooral gedaan omdat de uitleg (zie de sub-titels met de nummers 1 t/m 12) oorspronkelijk vanuit de Statenvertaling is gedaan.
[5] Zie noot 4.
[6] Bigamie = Het gelijktijdig met twee (of zelfs nog meer) personen gehuwd zijn.
[7] Gekuist, van het werkwoord “kuisen” = Hier: Gezuiverd worden (van alles wat zondig en ongepast is).
[8] Voor deel 1 t/m 6 van “Podium en Gemeente”, zie ons weblog van 4/6, 10/7, 10/8, 10/9, 10/10 en 10/11 en 10-12-2009.
[9] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23-8-2009.
• De 1ste uitgave van deze studie was omstreeks 1970 (in boekvorm). Deze hernieuwde versie is door ons bewerkt naar (meer) HEDENDAAGS Nederlands.

dinsdag 10 november 2009

Podium en Gemeente – deel 5

.

Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.



Hoofdstuk 5
Door God geroepen tot leiderschap in de Gemeente

Het is God, Die u roept
Een roeping tot het arbeidsveld van de Here Jezus Christus geschiedt vanwege God, de Here, Die ons PERSOONLIJK tot Zijn heilige dienst roept en ons hiertoe capabel maakt, nadat Hij ons heeft gereinigd (van ons oude, zondige leven) in en door Zijn Bloed.
“En die Hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.” (Rom. 8:30, HSV)
Aan de andere kant echter zal Hij die “dienstknechten” die Hij niet heeft geroepen tot Zijn dienst in of voor de Gemeente, “uitrukken” uit de plaatsen, die zij op eigen initiatief hebben ingenomen.
“Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.” (Matth. 15:13b, HSV)
Zo’n bediening zal namelijk niet de nodige zalving verkrijgen van God tot het voortbrengen van ‘eeuwigheidsvruchten’. Zulke “leiders” storten hun volgelingen met zich in het verderf, omdat zij dit Goddelijk werk MENSELIJK en dus (geestelijk) BLIND verrichten, zonder de Goddelijke kracht om het verderf (d.i. de macht van de zonde) te ontvluchten!
“Laat hen gaan; het zijn blinde geleiders van blinden. Als nu een blinde een blinde geleidt, zullen zij beiden in een kuil vallen!” (Matth. 15:14, HSV)
Laat het zo onder ons NIET zijn! Laat niemand zich een roeping aanmeten of aanpraten; wordt – zeker wat deze (heilige) arbeid betreft – niet de “geroepene” van mensen en roep uzelf niet tot een bepaalde arbeid; maar laat Hem u roepen, laat Hem u uitzenden in Zijn wijngaard! Niets geeft u zo’n zekerheid bij uw gaan en staan in het brengen van het Evangelie, dan het besef, de ervaring, dat Hij u PERSOONLIJK heeft geroepen. Als Hij u roept is er geen twijfel mogelijk. Neem bijvoorbeeld de roeping van Mozes, van Jozua en van zovelen, die Hij in Zijn Bijbel bij name heeft geroepen. Zo riep Hij de apostelen en werden Barnabas en Saul, de latere Paulus, door de Heilige Geest bij name geroepen. En dit doet Hij nu nog, vrienden! Velen kunnen niet op die roeping van God wachten en zijn uitgegaan – zichzelf tot Gods dienst geroepen hebbende of door mensen hiertoe “geroepen” zijnde – en werden later teleurgesteld; de ene mislukking na de andere in hun bediening ervarende. Ik wil niet zeggen dat God u niet kan gebruiken, als u uzelf stort op het arbeidsveld; zeer zeker kan Hij u gebruiken, indien u een heilig verlangen koestert om Hem dienstbaar te zijn. Maar héél wat anders is het om de druk van Zijn hand te ervaren, als Hij u persoonlijk tot deze geestelijke strijd heeft geroepen.
Van al de zonen van Isaï verkoos de Here God David, om hem te zalven tot koning over Zijn volk Israël, al was hij nog heel jong (en de jongste zoon van Isaï) en naar het oog (van de mens) de minste, maar hij was een man naar Gods hart! Er zijn in de Gemeente van de Here, ook in deze laatste dagen, geroepenen, die – NAAR DE MENS gesproken – liever “gestenigd” moesten worden, maar in wier leven Gods Hand is uitgestrekt……
Er zijn vele christenen die zich ik weet niet “wie” of “wat” wanen; maar daarom is het bij God nog niet zo! Wees daarom voorzichtig, ga in deze dingen nooit over één nacht ijs; wacht op de Here, Hij zal spreken!

Wat de geroepene kenmerkt: Een wonderbare gemeenschap met de Heilige Geest
Allereerst kennen zij die (waarlijk) door God geroepen zijn een wonderbare gemeenschap met de Heilige Geest, hetgeen nodig is om in dit leven en in de dienst (van God), waartoe zij geroepen zijn, VAST te staan, dat is: ONBEWOGEN (standvastig). U moet uit ervaring weten dat u de Heilige Geest ontvangen hebt, dat Hij (dat is: Gods Geest) in u woont! Wij weten dat het zegel van de doop met de Heilige Geest het spreken in tongen is! Méér nog dan het getuigenis van u, dat u de Heilige Geest hebt ontvangen, is het getuigenis van de Heilige Geest Zelf, dat Hij u “in bezit genomen” heeft, zodat u, net als Paulus, een “gevangene van Jezus Christus” bent, zodat Hij u, als Zijn instrument, in Zijn dienst kan roepen en gebruiken. Er zal dan in uw leven geen bede zijn van: “Here, Ik wil dit, wilt U het maar zegenen!”, maar het oprechte gebed: “Here, wat wilt U, dat ik voor U doen zal?”
Dan zal Gods Geest u heiligen en leiden naar die conditie, waar de glorie van God u vervult en omhult, waar u vol bent van de liefde van God! Alles om u heen kan dan wegvallen, maar de glorie van God zal voor u genoeg zijn. Het is daar, op die plaats van verrukkelijke aanbidding, dat Hij u Zijn wil openbaart; en u niets liever wilt doen dan Zijn wil…
Het is ons vlees, dat op deze weg hierheen gekruisigd moet worden (dus wij moeten afsterven aan onze oude, zondige, vleselijke natuur). Wij zullen veel verdrukkingen hebben (of krijgen) in het vlees, maar wij hebben de Heilige Geest om die verdrukkingen te boven te komen, om zo ons vlees (dat is: onze oude, zondige, vleselijke natuur) te overwinnen!
Ook zal Hij ons Zijn (Geestes)gaven toebedelen, om ons zo capabel te maken tot de dienst, waartoe Hij ons zal roepen. Een aardse werkgever voorziet zijn arbeiders van het nodige en leidt hen op tot de dienst, die hij van hen verlangt; hoeveel te meer onze hemelse Werkgever. Deze gaven moeten wij – onder Zijn leiding – tot ontwikkeling brengen, ze als het ware “opwekken”. Gaven zijn een zekere vorm van openbaring van de Heilige Geest. Wij hebben te leren hoe wij moeten rusten in Hem, opdat Hij door ons heen kan arbeiden, Zich door ons heen kan openbaren. En hoe wij, rustend in Hem en Zijn leiding, de nodige arbeid in Zijn Naam moeten verrichten, zodat die arbeid effect zal hebben. Wij moeten leren om niet de Heilige Geest te willen gebruiken, maar om door de Heilige Geest te worden gebruikt; Hij moet door ons heen kunnen spreken en handelen. Dit alles vraagt om een leerschool, om in de praktijk opgedane ervaring… Dàn pas zal Gods boodschap, gedragen door Zijn zalving, de harten van de toehoorders bereiken en die weten te beroeren tot bekering en overgave en tot toewijding aan Gods zaak! Glorie voor God!

De geroepene wordt verder gekenmerkt door een bediening overeenkomstig zijn roeping, waarin hij de werken, die Jezus deed, ook doet
Is God dienstknecht zó voorzien van het nodige en ingeleid tot het werk van zijn bediening, dan ontvangt hij van de Here van de Oogst persoonlijk de roep tot de bediening, die voor hem is weggelegd.
“Vrede zij u! ZOALS de Vader Mij gezonden heeft, ZEND IK OOK U.” (Joh. 20:21b, HSV)
Wij mogen deze zending koppelen aan de zendingsboodschap van de Here Jezus, die wij in Jesaja 61 vers 1-3 kunnen vinden, waarover later meer. Daarvandaan, dat Jezus getuigde:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze; want Ik ga heen naar Mijn Vader.” (Joh. 14:12, HSV)
Het zijn deze werken, overeenkomstig zijn bediening, die de roeping van de dienstknecht bewijzen.
“Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, geloof Mij dan OM DE WERKEN ZELF! (Joh. 14:11, HSV)
God alleen zij de eeuwige glorie!

Laten vleselijke motieven uw roeping niet bezoedelen
Indien u tot Zijn dienst geroepen bent, pas er dan voor op dat uw roeping zich niet (geleidelijk aan) ontwikkeld in een richting die NAAR HET VLEES is, een richting die wellicht UZELF behaagd, maar NIET DE HERE dient!
Als God u, als blanke, roept om Hem bijvoorbeeld in Afrika als zendeling te dienen, dan is het niet de bedoeling om daar speciaal de blanken te gaan bedienen – tenzij de Geest van God u dit uitdrukkelijk te kennen geeft – maar om het Evangelie te brengen aan AL de mensen van dat land! Want, de blanke hoort daar oorspronkelijk niet, die is of woont daar waarschijnlijk voor zaken of dienst. Menselijke sympathieën mogen nooit de motivatie zijn tot uw dienst voor het werk des Heren, maar alleen de liefde van God!
Ook mag een geroepen dienstknecht van God geen financieel gewin najagen. Is het toevallig zo, dat het merendeel van een Gemeente emigreert naar een ander land, dan wil het wel eens voorkomen, dat de herder van die Gemeente – zo maar opeens – ook een “roeping” krijgt voor dat land…
Er was eens een Indonesische arbeider van de Here, die een bepaalde Indonesische Gemeente had. Toen die Gemeente maar niet wilde groeien, omdat die arbeider ergens tekort schoot, had hij “zo maar opeens” een roeping voor de “Hollandse dienst”, ondanks het feit dat hij slecht zijn Nederlands sprak…

KLIK HIER om deze studie (deel 5) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen.[1]

CJH Theys
[2]

[1] Voor deel 1 t/m 4 van “Podium en Gemeente”, zie ons weblog van 4/6, 10/7, 10/8 en 10/9 en 10-10-2009.
[2] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23 augustus 2009.