Posts tonen met het label persoonlijke roeping. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijke roeping. Alle posts tonen

woensdag 10 maart 2010

Podium en Gemeente – deel 9

.

Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.




Hoofdstuk 9
De bedienaars van het Woord

Uitdelers van Gods verborgenheden
Tot de bedienaars van het Woord worden al degenen gerekend die geroepen zijn om op één of andere wijze de verborgenheden van Gods Woord aan de Gemeente, en aan allen die geloven, uit te delen. Deze bedienaars hebben – voor deze Goddelijke taak – in het bijzonder de gaven van het Woord, namelijk het Woord van WIJSHEID en het Woord van KENNIS, ontvangen. Tot deze groep van bedienaars worden gerekend: apostelen, leraars, herders en evangelisten.
• “Laat men ons zó beschouwen, namelijk als dienaren van Christus en als beheerders (SV: uitdelers) van de verborgenheden van God.” (1 Kor. 4:1, HSV)
Een dienstknecht van Christus (werkzaam in Gods wijngaard) wordt geroepen om Christus te dienen en GEEN MENSEN! Ook is hij NIET geroepen om te heersen, maar om Christus te DIENEN, Die het Hoofd is van de Gemeente, onder ALLE omstandigheden en in ELKE situatie!
Een (waarachtige) dienstknecht van Christus is dus niet iemand die werkt en handelt krachtens EIGEN autoriteit, maar hij is AFHANKELIJK van zijn Zender; hij heeft te arbeiden overeenkomstig de richtlijnen van Gods Woord.
Nogmaals: De arbeider van God heeft het NIET zelf voor het zeggen, maar hij heeft te spreken zoals de Geest van God het hem te zeggen geeft. Hij is – als het goed is – niet iemand die zichzelf “op de borst slaat” en zegt, zoals ik wel eens heb gehoord: “Denk erom, weet tegen wie je het hebt, je spreekt tegen een gezalfde des Heren!” Als het goed is moet zijn leven juist DIENSTBAAR zijn, tot verlossing en redding van velen, in de Naam van Jezus!
En de bediening van Gods arbeider moet er dan toe strekken dat hij het geestelijk inzicht (d.i. de uitleg) van Gods VERBORGENHEDEN – die in de Bijbel, Gods Woord, staan – uit handen van Gods Geest ontvangt om die op zijn beurt aan de Gemeente te openbaren (dus: deze bovennatuurlijke waarheden bekendmaken/doorgeven). Met andere woorden: De boodschappen (de predikaties en/of Bijbelstudies) die Gods arbeider brengt moet hij door middel van gebedsgemeenschap ontvangen van de Heilige Geest… Zo geeft Hij – de Heilige Geest, werkzaam door Gods arbeider heen – de Gemeente geen steen, maar brood, en dus voedsel voor de ziel. Het zijn VERBORGENHEDEN voor de Gemeente; maar aan de dienstknecht van God geopenbaard om die door te geven aan de Gemeente. Want, verborgenheden zijn geen dingen die aan de oppervlakte van het Evangelie liggen, maar in de diepten van Gods verlossingsplan en wil.

Getrouwheid bij het uitdelen
• “En verder wordt van de uitdelers vereist dat zij getrouw blijken te zijn.” (1 Kor. 4:2, SV/HSV)
Er zijn, ook vandaag-de-dag, velen die voor God arbeiden, maar er zijn weinig getrouwe arbeiders; arbeiders die op hun post blijven, ook al komen er spanningen of problemen! Ook zijn er weinig getrouwen in het waarnemen van de “gebedswacht” bij de Here Jezus Christus; opdat zij, door deze gebedsworstelingen,

>>>Gods wil leren verstaan, en
>>>de openbaringen van God kunnen ontvangen aangaande de verborgenheden uit Zijn Woord,en
>>>de openbaringen van God kunnen ontvangen aangaande de verborgen ongerechtigheden van de Gemeenteleden.
Uit het voorgaande hebben wij leren verstaan, dat de getrouwheid tweeledig is, namelijk:
1. de getrouwheid ten aanzien van Degene, Die ons heeft geroepen en gezonden enerzijds, en
2. de getrouwheid ten aanzien van de Gemeente(leden); degenen, die wij in de Naam van de Here moeten dienen anderzijds.
De getrouwheid ten aanzien van God, onze Zender, heeft betrekking op 4 terreinen, namelijk: dat van de LIEFDE, van de GEHOORZAAMHEID, van de IJVER, en van de VURIGHEID.
Er moet in ons hart, voor onze Heer en Heiland en Zijn Koninkrijk
1. een BLIJVENDE LIEFDE branden,
2. een BLIJVENDE GEHOORZAAMHEID bestaan,
3. een BLIJVENDE IJVER,
4. en een BLIJVEND VUUR branden.
Als u de (Goddelijke) liefde niet hebt voor uw roeping, voor uw ambt, kunt u onmogelijk de liefde opbrengen voor degenen die u moet dienen. Als u in de maatschappij niet van uw werk houdt, dan verricht u uw werk “met de Franse slag”, omdat het werk u dan niet interesseert. Als u geen gehoorzaamheid kent aan Degene, Die u heeft geroepen en gezonden, hoe wilt u ooit verwachten dat de leden van de Gemeente, die u mag voorgaan, gehoorzaam zullen zijn! Als ùzelf tekortschiet aan ijver voor de zaak van God, hoe wilt u anderen leren jagen naar de dingen van God? Als u een betrekking in de maatschappij hebt zult u zich ook niet lui kunnen gedragen en kunnen wegblijven wanneer u maar wilt. Als u voor een keertje verstek laat gaan, zal uw voorwendsel door uw baas wel worden aanvaard, maar zoiets mag niet meerdere malen gebeuren. Doet u het tòch, dan neemt uw baas een ander voor u in de plaats! Wat denkt u dat de Here zal doen als u op dit punt fraudeert; als u Zijn bediening nog veel lichter opvat dan een maatschappelijke betrekking? Geliefden, kijk uit dat u uzelf niet bedriegt. U ontneemt uzelf zó de zegen! Laten wij niet spelen met de dingen van Gods Koninkrijk. Wij vergeten soms dat vele dingen ons overkomen vanwege onze eigen, grove nalatigheid ten aanzien van onze bediening en onze beloften aan de Here. Als uw vurigheid – als voorganger en herder van de Gemeente – zelf te wensen overlaat, hoe kunt u dan vurigheid van uw “schapen” (de Gemeenteleden) verwachten? U kunt alleen maar vuur met vuur maken.
Als wijzelf het vuur van Gods Geest missen, kunnen wij anderen niet meeslepen en “in brand zetten” voor Jezus!
In dit alles moeten wij ten aanzien van de Here getrouw zijn (en blijven). Als wij ten aanzien van Hem geen getrouwheid kunnen opbrengen, zullen wij ook geen getrouwheid (in de ware zin) kunnen opbrengen ten aanzien van de Gemeente, die wij moeten dienen; wij maken dan van het Evangelie een gewin voor onszelf en dan is (of wordt) de financiële kant voor ons hoofdzaak! Zulke dienstknechten maken van “hun roeping” een beroep; zij eten, zoals Gods Woord het zegt, de huizen van de zielen op en “sluiten het Koninkrijk der hemelen voor de mensen” (zie Matth. 23:13-14)!
• “Wie is dan de trouwe en verstandige rentmeester (SV: huisbezorger) die de heer over zijn huisbedienden zal aanstellen om aan hen op de juiste tijd het (geesteijk) voedsel te geven dat hun toekomt? Zalig de slaaf (SV: dienstknecht) die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden. Werkelijk, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. Als die slaaf (SV: dienstknecht) echter in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg, en zou beginnen de knechten en de dienstmeisjes te slaan, te eten en te drinken en dronken te worden, dan zal de heer van deze slaaf (SV: dienstknecht) komen op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een moment dat hij niet weet; en hij zal hem afscheiden (NBV: straffen met zijn zwaard) en hem in het lot doen delen van hen die ontrouw zijn!” (Luk. 12:42-46, SV/HSV)
De “huisbezorger” (d.i. de voorganger of herder) van de Gemeente des Heren moet zijn mede-“huisbedienden”, zijn mede-gelovigen, op de juiste tijd (het geestelijke) VOEDSEL weten te geven; namelijk voedsel, waar de NIEUWE mens[1] naar hongert: het Woord van de levende God. En ten aanzien van het brengen van dit Woord van God zijn er weer vier (te onderscheiden) zaken, die de dienstknecht van God in acht moet nemen:
1. Hij moet de onvervalste waarheid brengen; de gezonde (Bijbelse) leer.
2. Hij moet dit Woord der waarheid RECHT snijden, er geen “draai” aan geven.
3. Hij moet het WOORD prediken, niet spreken over “koetjes en kalfjes”.
4. Hij moet het Woord NIET “al twistende” brengen, maar onderwijzen in ZACHTMOEDIGHEID.

1a. Wij leven vandaag-de-dag in moeilijke tijden. Wij zien tegenwoordig velen overstag gaan en hun boodschap (hun prediking) aanpassen aan de moderne tijd en de moderne mens! Maar… denk erom, dienstknechten van de Here, u predikt NIET ùw Woord, maar u moet DE BOODSCHAP VAN GOD brengen; een boodschap waaraan u niets mag afdoen of toedoen! Een boodschap van uzelf brengt de mensen niet tot het ware geestelijke LEVEN! De boodschap van God is onveranderlijk, omdat God ONVERANDERLIJK IS! Wanneer wij het Woord prediken naar EIGEN goeddunken en naar EIGEN inzichten, dan is daarmee het bewijs geleverd dat onze innerlijke mens niet (meer) leeft IN en DOOR Christus.
2a. Er zijn predikers die het Woord, uit vrees voor hun Gemeenteleden, VERZACHTEN! Zij vrezen om de boodschap over ‘het oordeel van God over de zonde’ in hun Gemeente te brengen en geven daarom aan Gods Woord een draai, een verzachtende uitleg… in plaats van Gods Woord RECHT TE SNIJDEN! Deze predikers werken liever met de “stroopkwast” om hun leden te behouden en om, onder hun gehoor, aanvaardbaar te blijven! Het gevolg hiervan is dat de Gemeente die zij (als geestelijk “herder”) hebben te hoeden[2], GEESTELIJK VERWILDERT, omdat zij het licht (en dus het juiste inzicht) van Gods Woord niet langer in hun leven hebben en liefhebben! Zo’n Gemeente merkt dan meestal niet dat de voorganger KOOPWAAR van haar maakt en dat hij de Gemeenteleden zo bejegent vanwege de opbrengst van de (wekelijkse) collecte en van de tienden[3] – weliswaar bestemd voor ‘het werk des Heren’, maar wat soms ook in de zakken van dit soort voorgangers verdwijnt – en dus omwille van het geld!
3a. Met “verhaaltjes” van u kan het geloof van de NIEUWE MENS[4] niet gevoed en gesterkt worden, want… dit kan enkel en alleen met het zuivere, VOLLE Woord van de LEVENDE God. Tussen de prediking door kunt u wel iets vertellen, zoals het aanhalen van voorbeelden uit de Bijbel of iets vertellen over uw eigen levenservaring, maar vergeet daarbij vooral niet dat de Heilige Geest in de Boodschap, die u – namens Hem – hebt te brengen, tot Zijn recht moet komen.
4a. Wat het vierde punt betreft, deze vinden wij uitgedrukt in 2 Timotheüs 2 vers 24-26:
“Een dienstknecht van de Here moet niet twisten, maar vriendelijk zijn voor allen, bekwaam om te onderwijzen, en iemand die de kwaden kan verdragen. Hij moet met zachtmoedigheid hen onderwijzen die zich verzetten. Misschien geeft God hun eens bekering, dat zij tot erkenning van de waarheid komen, en zij uit de strik van de duivel weer (geestelijk) mogen ontwaken, levend gevangen als zij waren door hem, om zijn wil te doen.” (HSV)
De Here moet ons LANKMOEDIGHEID en ZACHTMOEDIGHEID leren. Hij moet ons leren om in ootmoed (d.i. in onderworpen nederigheid aan God) onderwijs aangaande de Bijbel te geven, opdat wij meer VRUCHT mogen dragen voor Zijn Koninkrijk. Hij moet ons leren om ‘de rijkdom van Zijn genade’ aan de Gemeente (over) te brengen, en dat met een hart dat zèlf in gebrokenheid en verslagenheid voor de Here klopt, in het diepe besef uit welke poel van zonden wijzelf door onze Heiland zijn getrokken!

KLIK HIER om deze studie (deel 9) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen! [5]

CJH Theys [6]


[1] Zie eventueel – op onze website http://www.eindtijdbode.nl/ – de studie: “LUKAS – Het Boek van de NIEUWE MENS in Christus” (vers voor vers nader uitgelegd), van E. van den Worm.
[2] Hoeden = De Gemeente moet – onder de hoede van de voorganger/prediker – van het juiste, geestelijke, voedsel worden voorzien. Maar ook zeker: gewaarschuwd worden voor de macht en invloed van satan, die hun geestelijk leven bedreigt.
[3] Waar – Bijbels gezien èn bestemd voor “het werk des Heren” – ook echt 10% van al uw inkomsten mee wordt bedoeld. Zie o.a. Mal. 3:8-10, Matth. 23:23 en Luk. 11:42.
[4] Zie noot 1.

[5] Voor deel 1 t/m 8 van “Podium en Gemeente”, zie ons Weblog van 4/6, 10/7, 10/8, 10/9, 10/10, 10/11, en 10-12-2009, 10/1 en 10-2-2010.
[6] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23-8-2009.
• De 1ste uitgave van deze studie was omstreeks 1970 (in boekvorm). Deze hernieuwde versie is door ons bewerkt naar (meer) HEDENDAAGS Nederlands.

dinsdag 9 februari 2010

Boekbespreking 2: Onze aardse roeping: “En u zult Mijn getuigen zijn”



Een Bijbelstudie van Bijbelleraar E. van den Worm[1],
uitgegeven door uitgeverij “De Eindtijdbode”.


U bent het licht van de wereld (volgens Mattheüs 5:14)
Behalve de zoutvorming – wij moeten namelijk “het zout van de aarde” worden (zie Matth. 5:13) door de hand des Heren, waarmee “de NIEUWE MENS in Christus” wordt bedoeld – moeten wij ook “het licht van de wereld” worden (zie Matth. 5:14). Deze beide werkingen geschieden door de zalving van de Heilige Geest, op grond van ons geloof in en onze (volkomen) overgave aan Christus.
Deze zoutvorming is een inleidende werking om ons (geestelijk) gereed te maken, want ons leven moet in overeenstemming zijn/komen met de wil van God. Wij zijn weliswaar als zondaren geboren, maar we moeten – door de werkingen van de Heilige Geest IN ons – verlost worden van ons zondig “ik”-leven en worden omgevormd tot wij het wonderlijke “Jezus-leven”, de zgn. “Christus-natuur”, ontvangen hebben in ons hart en leven.
Daarnaast heeft de zalving van de Heilige Geest ook tot doel om ons te vormen tot een (waarachtig) getuige voor onze medemensen, zodat wij anderen – door de kracht van de Heilige Geest – kunnen brengen in de cirkel van Gods genade. Veel christenen getuigen alleen of voornamelijk in de Gemeente (of Kerk) waartoe zij behoren, maar we moeten niet alleen in de Gemeente getuigen, maar – des te meer – in de wereld daar buiten. Die wereld is dus de voornaamste plaats, ons voornaamste arbeidsveld, onze akker. Want, wij moeten uit die wereld mensen zien te trekken en hun leren om open te (gaan) staan voor het leven van Jezus, voor de genade van Jezus Christus. Dat wordt er dus bedoeld met “licht” verspreiden. En, ook dit is een werking van de zalving van de Heilige Geest. Want zonder de kracht van de Heer – die in en door ons heen werkt met Zijn Geest – is er geen (waarachtig) getuigenis mogelijk. Want de wereld is in de macht van ‘de boze’, in de greep van satan en als wij dus in eigen kracht proberen te getuigen, dan lachen ze ons uit, dan houden ze ons voor een beetje simpel of zoiets, want de wijsheid van God is dwaasheid voor de wereld.
Conclusie: wanneer we niet IN en DOOR de kracht van de Heilige Geest van Jezus getuigen, heeft het geen enkele (eeuwigheids)waarde.
We gaan nu eerst de verzen 14 t/m 16 uit Mattheüs 5 lezen:
U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard (SV: kandelaar), en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.”
Nogmaals: de verspreiding van dit (goddelijk) “licht” in die wereld is dus een onmogelijke taak in de eigen kracht van de mens. Er is in de mens zelf geen mogelijkheid om dit licht te verspreiden. Want Jezus zegt Zelf: "…Ik ben het Licht der wereld" (zie Joh. 8:12a) en het is Jezus Die – door de werking van de Heilige Geest in ons – dit “licht” door ons heen doet schijnen. Zonder de werking van Jezus – door de zalving van/met Zijn Heilige Geest – is er dus geen lichtverspreiding mogelijk. Ook niet door de zgn. “goede werken” die wij doen. Het moeten ook geen (goede) werken zijn die WIJ (vanuit onszelf) doen. … Het werk, de taak, moet door de Geest van God gedreven zijn. Om dit te bewijzen gaan wij naar Handelingen 1 vers 8:
“maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult (dan, daarna) Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.”
Het getuigen van Jezus – dus: een waarachtig getuige van/voor Hem zijn – komt dus pas NA die bekrachtiging door de Heilige Geest. Eerst moet namelijk de kracht van de Heilige Geest over ons komen en pas daarna kunnen wij, als een waarachtig getuige, van Hem getuigen.
Men denkt over het algemeen te lichtvaardig over het wachten “in de opperkamer van onze geest” op deze kracht, op deze zalving. Laten wij daarom – biddende – blijven vragen om die wonderlijke krachten van de Heer, totdat Hij binnenkomt; laat Hem – in en door ons heen – Zijn werk doen en dan kunnen wij (waarlijk) getuigen van de Here Jezus. Want, wij zijn allemaal geroepen om te getuigen van Hem. Geroepen om de wereld te vertellen dat Hij opgestaan is, dat Hij een levende Heiland is en dat Hij een Helper is onder alle omstandigheden van het leven. Al onze problemen lossen als het ware op (omdat Hij die voor ons draagt) als wij die in Zijn handen leggen. Dan zullen de satanische krachten en machten in ons hart en leven teniet gedaan worden door ons geloof in Jezus Christus, en door onze overgave aan Hem.
De inwoning van (en dus de vervulling met) de Heilige Geest is dus hard nodig, want het is de enige manier waardoor wij echt een getuige van Hem kunnen zijn, waardoor wij waarlijk (Zijn) “licht” kunnen verspreiden. Dan zullen wij niet alleen maar praten over de Heer (want het Evangelie bestaat niet alleen maar in woorden), maar vooral handelen IN en DOOR Zijn kracht. Dat kunnen wij hieronder ook lezen (in 1 Kor. 2:4-5). Onze prediking, onze onderwijzing, moeten gedreven zijn door de Geest van God willen ze eeuwigheidswaarde hebben.

Tot zover de “Boekbespreking”. Als u deze studie wilt lezen, KLIK HIER.

A. Klein

[1] Als u iets meer wilt weten over deze Bijbelleraar, zie dan het artikel op ons Weblog van 23-10-2009. KLIK HIER

zondag 10 januari 2010

Podium en Gemeente – deel 7



Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.





Hoofdstuk 7
Ouderlingen en diakenen

Wat wordt in Gods Woord onder opziener of ouderling verstaan?

Uit de brief van Paulus aan Timotheüs leren wij, dat er twee soorten van opzieners of ouderlingen zijn.
“Bewijs aan ouderlingen die goed regeren, dubbele eer, vooral aan hen die arbeiden in het Woord en in de leer.” (1 Tim. 5:17, HSV)
Er zijn dus ouderlingen of opzieners in de meer beperkte betekenis van het woord, dus in de (gangbare) betekenis van: helpers van de voorganger van de plaatselijke Gemeente, in de geestelijke zaken, dus om de Gemeente te helpen wijden, en te helpen om over de Gemeente te “regeren”, zoals bovenstaande Bijbeltekst het uitdrukt. Onder ouderlingen of opzieners in de ruimere zin van het woord verstaat men: apostelen, herders, evangelisten en leraars. Dit zijn degenen “die arbeiden in het Woord en in de leer”. Maar… deze laatstbedoelde ouderlingen moeten zich echter niet méér achten dan de eerstbedoelde; want de christelijke gulden regel[1] zegt immers, dat “de één de ander voortreffelijker moet achten dan zichzelf” (zie Filip. 2:3). Deze laatstbedoelde ouderlingen hebben de gave van het Woord ontvangen, zij het in verschillende zin en mate, als een roeping van Gods Geest en niet uit zichzelf! En wat willen wij doen of zeggen, als de Heilige Geest hen daarvoor (d.i. voor die taak of bediening) wil gebruiken! Gods Geest is supreme en souverein (d.i. Hij is de Allerhoogste en een Oppermachtig Heerser)! Glorie voor God. Zo heeft Gods Geest Filippus en Stefanus geroepen als evangelisten, terwijl de Gemeente van Jeruzalem (onder leiding van de 12 apostelen, zie Hand. 6:2-5), hen tot diakenen had aangesteld. En de apostelen dachten er geen moment aan om tegen de wil van Gods Geest in te handelen.
Vandaag-de-dag zouden vele voorgangers dit echter wèl doen, wèl tegen Gods Geest ingaan, gedreven door menselijke kortzichtigheid en angst voor concurrentie, al gaat het doordrijven van hun eigen wil onder het mom van “het willen doen wat de Heilige Geest hen heeft geopenbaard”! In feite zijn zulke voorgangers bang dat die ouderling zich ontwikkelt in de lijn van ‘openbaarder van Gods verborgenheden’ en zij laten niet toe dat Gods Geest beslag krijgt op zijn leven door – op menselijke wijze – paal en perk te stellen aan zijn arbeid. Zij geven zo iemand gewoonweg géén gelegenheid. Soms leidt men hen wel op, maar men vertelt ze toch niet alles, bang als deze voorgangers zijn dat zulke ouderlingen hen straks zullen overvleugelen (d.i. in het geestelijke zullen overtreffen)!
De Heilige Geest werkt echter heel anders, namelijk op de manier zoals Hij dat ook door een rechtgeaarde[2] arbeider als Paulus kon bewerkstelligen: “Want ik heb niet nagelaten u heel de raad van God te verkondigen.” (Hand. 20:27, HSV)
Datgene wat Paulus van de Heilige Geest ontvangen had gaf hij ook aan zijn jongere medegelovigen door en bewaarde dat niet voor zichzelf. Glorie voor Jezus!
Wel mijn broeders en mede-voorgangers, wij hoeven niet bang te zijn voor concurrentie of voor al dat soort dingen, want als wij hieraan beginnen, komen wij zelf geestelijk niet vooruit, omdat wij de Heilige Geest hierin weerstaan! Wij laten ons dan leiden door ons vlees! En God zal onze kandelaar, als wij Hem getrouw en oprecht dienen, heus niet van zijn plaats wegnemen![3] Zijn wij niet ALLEN van Hem afhankelijk? De Here Jezus Christus was nooit bang voor concurrentie. Hij maakte Zijn discipelen deelgenoot van Zijn heerlijkheid; Hij vertelde hun over heel de raad van God”; Hij leidde hen dieper in Gods Woord, dieper dan de massa die het nog niet kon dragen. Dat Hij hun nog niet alles heeft kunnen vertellen, is begrijpelijk, als wij het raadsplan van God kennen en de geestelijke tekortkomingen van Zijn discipelen zien, ondanks Zijn leiding. Zelfs nog bij Zijn hemelvaart vroegen ze Hem of Hij Zijn Koninkrijk NU ging openbaren… Ondanks alles hadden zij nog steeds een aards koninkrijk voor ogen en verlangden zij naar de grootheid van Israël, met Hem als Koning!

De Schriftuurlijke voorwaarden, waaraan opzieners of ouderlingen hebben te voldoen
“Dit is een betrouwbaar woord: als iemand verlangen heeft naar het ambt van opziener, begeert hij een voortreffelijk werk. Een opziener nu moet onberispelijk zijn,
1. de man van één vrouw,
2. nuchter (SV: wakker),
3. matig,
4. eerbaar,
5. gastvrij,
6. bekwaam om (Gods Woord) te onderwijzen,
7. niet verslaafd aan (SV: niet genegen tot) wijn,
8. niet vechtlustig (SV: geen smijter)[4] ,
9. niet uit op schandelijke winst, maar welwillend (SV: bescheiden)[5] , niet strijdlustig en niet inhalig.
10. Hij moet zijn eigen huis goed besturen, zijn kinderen onderdanig houden, in alle eerbaarheid. (Want als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij voor de gemeente van God zorg dragen?)
11. Hij mag geen pasbekeerde zijn, opdat hij niet hoogmoedig wordt en daardoor onder het oordeel van de duivel valt.
12. En hij moet ook een goed getuigenis hebben van buitenstaanders, opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel terechtkomt.” (1 Tim. 3:1-7, HSV)
Dit Bijbelgedeelte begint met de eis dat een opziener ONBERISPELIJK moet zijn: er mag niets op hem aan te merken zijn in zijn “handel en wandel”. Dan vervolgt het Woord met een opsomming van zaken waarin een opziener onberispelijk moet zijn.

1. Een opziener moet “de man van één vrouw” zijn

Vóór alles moet een opziener of ouderling onberispelijk zijn in zijn huwelijksleven; hij moet zijn: DE MAN VAN ÉÉN VROUW. Wat wil dat zeggen? In deze Bijbelse manier van zeggen ligt het “niet-gescheiden-mogen-zijn” opgesloten. Immers, al is iemand voor de (aardse) wet gescheiden, dan is hij dat nog niet voor God; want een huwelijk wordt bij God slechts ontbonden door de dood! In het licht van Gods Woord heeft een gescheiden man, die daarna weer hertrouwd is, dus twee vrouwen, al heeft hij in het geheel geen gemeenschap meer met zijn eerste vrouw. Een gescheiden man zal dus nooit opziener in de Gemeente mogen zijn! Denk erom, ik spreek over een gescheiden en hertrouwd zijn in de bekeerde staat. Wat de betrokkene vroeger, als heiden, gedaan heeft en hoe hij toen geleefd heeft, is een geheel andere zaak. Gods Woord richt zich tot christenen, tot kinderen van God. Dit niet-gescheiden-mogen-zijn slaat op ùw leven, nàdat u zich hebt bekeerd. Het doet er dus niet toe, hoe uw huwelijksleven was vóór u zich bekeerde; u leefde toen in duisternis en wist niet, hoe God het wilde hebben. NU staat u echter in het Licht van God en uw leven hebt u dus nu te richten naar Zijn Woord; want u hebt nu Jezus Christus aangenomen als uw Levensheer. Wat de Here ONheilig acht, mag door u niet heilig worden geacht. God heeft het voor het zeggen in Zijn Wijngaard, in Zijn Gemeente, in Zijn Lichaam.
Als de Bijbel spreekt van “man-van-één-vrouw”, dan houdt dit in dat een opziener een gehuwd man moet zijn; en wel NAAR BEHOREN getrouwd. Hij mag niet zo maar “in vrije liefde” met een vrouw samenleven, zoals dit vandaag-de-dag veel gedaan wordt in de wereld. Hij moet een christelijk huwelijk en huwelijksleven kennen.
Vanzelfsprekend sluit deze uitdrukking “man-van-één-vrouw” iedereen voor het ambt van opziener of ouderling uit die – openlijk of bedekt – in bigamie[6] leeft; en ook iedereen, die naast hun wettige vrouw nog “amourettes” hebben.

2. Een opziener moet (in geestelijke zin) “wakker” zijn
Vervolgens moet een opziener of ouderling WAKKER zijn, dus niet (in geestelijke zin) slapen. Zijn gedachtenwereld moet méér in beslag genomen worden door de dingen van de Geest; die moeten in hem de overhand hebben – dus niet de dingen van het vlees, de dingen van het alledaagse leven – om de Here in de Gemeente (steeds wéér en méér) dienstbaar te kunnen zijn. Natuurlijk mag hij zijn werk in de maatschappij, als hij dat (nog) heeft, niet verwaarlozen; hij moet ook daar een arbeider zijn op wie men aan kan, zodat de Naam van de Here daarom niet gelasterd zal worden. Maar de tijd die over blijft moet hij zo veel mogelijk aan de Here wijden.
Hoe meer zijn geest bevangen wordt met de dingen van deze wereld, hoe minder bekwaam hij zal zijn om de geestelijke dingen van de Heilige Geest te ontvangen; hoe minder bekwaam hij zal zijn om, temidden van de Gemeente, zijn werk als opziener of ouderling te kunnen doen.
“Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.” (Kol. 3:1-3, HSV)
“Want het bedenken van het vlees is de dood, maar het bedenken van de Geest is LEVEN en VREDE.” (Rom. 8:6, HSV)
“En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar wordt innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid (d.i. van uw denken), om te kunnen onderscheiden wat de wil van God is, namelijk de goede en welgevallige en volmaakte.” (Rom. 12:2, HSV)

3. Een opziener moet “matig” zijn
MATIGHEID moet worden betracht in alles, vooral op zinnelijk gebied. Hier valt het eten en drinken onder, maar boven alles, waar een opziener tòch een getrouwd man moet zijn, het seksuele leven. Daar is véél onmatigheid op dit gebied. God vraagt van u matigheid in uw seksuele leven. Hoe kunt u anders, wat dit betreft, de jongeren tot voorbeeld zijn? Jongeren die nog in hun “Sturm-und-Drang” periode (van onstuimigheid en dadendrang) zijn, die nog een leven kennen, waarin de driften hun nog ruimschoots parten spelen. Pas als uw lusten niet meer centraal staan, kunt u een leven leiden dat aan Gods Geest onderworpen is! Zeg niet, dat het ONmogelijk is. Bij God zijn ALLE dingen mogelijk. Hij kan alle zondige werkingen van het lichaam doden door het Vuur van de Heilige Geest.
“Want als u naar het vlees leeft, zult u (geestelijk gezien) sterven. Als u echter door de Geest de (zondige) praktijken van het lichaam doodt, zult u (geestelijk gezien) leven.” (Rom. 8:13, HSV)
Nu moet u ook weer niet denken dat de Rooms-Katholieken, met hun celibaat, het bij het rechte eind hebben. Helemaal niet, want die eis staat niet vermeld in Gods Woord. Sterker nog, God Zèlf heeft het huwelijk ingesteld en gezegd dat een opziener “de-man-van-één-vrouw”, dus een getrouwd man, moet zijn. Maar wij moeten gereinigd (willen) worden van onze zondige, vleselijke lusten en onze wandel moet daarom “gekuist”[7] worden door gewillig – achter Jezus aan – de kruisweg te volgen; weliswaar levende te midden van deze wereld, maar niet behorende tot deze wereld! Het geheim van een overwinnend (geestelijk) leven is, naast een onwrikbaar geloof (in het, voor ons persoonlijk, volbrachte offer van Christus aan het kruishout van Golgotha), het beslist kennen van een in alle opzichten – dus ook in het seksuele – overgegeven leven aan onze Here Jezus Christus. Dan worden wij door Gods Geest gelouterd in het Vuur van Zijn Wezen. Alleen zo kunt u, net als Paulus, uw lichaam – DOOR DE HEILIGE GEEST – bedwingen en het tot dienstbaarheid brengen aan onze Here Jezus Christus, en aan Zijn Gemeente. Halleluja! Hebt u wel eens een kaars zien opbranden? Zij brandt het helderst, als zij op haar eind is. Zo is het ook met uw en mijn leven. Hoe meer het kruisproces in ons wezen voltooid wordt, hoe wonderbaarlijker ons getuigenis en arbeid voor de Here is. Geprezen zij Zijn wonderbare Naam!
In het huwelijksleven moeten man èn vrouw deze kruisweg in Jezus Christus willen volgen, anders is er geen houden aan! Gods Woord onderkent de grote kracht van de seksuele drift, want er staat geschreven:
• “Onttrek u niet aan elkaar, behalve met onderling goedvinden voor een bepaalde tijd, om u te wijden aan vasten en bidden. Kom daarna weer bij elkaar, opdat de satan u niet zal verzoeken, OMDAT U ZICH NIET KUNT ONTHOUDEN.” (1 Kor. 7:5, HSV)
Daarom moeten wij ook niet meer willen doen dan de genade van God in het leven van beiden, man èn vrouw, heeft bewerkt. Altijd moeten wij in ons leven een geestelijk evenwicht handhaven en nooit naar één kant doorslaan. Dit is nooit Gods wil. "Overgeestelijkheid" wordt nooit veroorzaakt door de Heilige Geest, maar is een vrucht van het vlees dat voor Jezus uit wil lopen! Kom daarom beiden tot Jezus met hetzelfde gemoed en hetzelfde gevoelen. God wil dat wij, net als Abraham, tegen de Here zeggen: “Zie, hier ben ik”! (Gen. 22:1c). Laat God over uw leven beschikken! Wat wij, mensen, niet kunnen, dat doet Hij! Hij zal ons herscheppen door Zijn Woord, zoals er geschreven staat in Psalm 107 vers 20: “Hij zond Zijn Woord en heelde hen!”
Prijs Zijn wondervolle Naam! God zit nog altijd op Zijn troon; Hij is almachtig! Hij zal Zijn weg gaan in uw hart en leven, als u wilt leren om datgene te willen, wat Hij wil. Dan zal HIJ het doen. Halleluja!

KLIK HIER om deze studie (deel 7) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen![8]

CJH Theys[9]

[1] Een gulden regel = Een wijze vermaning of een goede raad.
[2] Rechtgeaard = De goede aard (of natuur) hebbend. Ook wel: Echt of rechtschapen (d.i. eerlijk).
[3] Een waarschuwing uit Openbaring 2:5 aan de Gemeente te Efeze, bestemd voor christenen die zich niet willen bekeren (d.i. afkeren van hun liefdeloze en dus zondige “handel en wandel”).
[4] De (tussen haakjes) toegevoegde woorden vanuit de oude Statenvertaling (SV) is in dit Bijbelgedeelte vooral gedaan omdat de uitleg (zie de sub-titels met de nummers 1 t/m 12) oorspronkelijk vanuit de Statenvertaling is gedaan.
[5] Zie noot 4.
[6] Bigamie = Het gelijktijdig met twee (of zelfs nog meer) personen gehuwd zijn.
[7] Gekuist, van het werkwoord “kuisen” = Hier: Gezuiverd worden (van alles wat zondig en ongepast is).
[8] Voor deel 1 t/m 6 van “Podium en Gemeente”, zie ons weblog van 4/6, 10/7, 10/8, 10/9, 10/10 en 10/11 en 10-12-2009.
[9] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23-8-2009.
• De 1ste uitgave van deze studie was omstreeks 1970 (in boekvorm). Deze hernieuwde versie is door ons bewerkt naar (meer) HEDENDAAGS Nederlands.

dinsdag 10 november 2009

Podium en Gemeente – deel 5

.

Schriftuurlijke richtlijnen, praktische wenken en raadgevingen voor hen, die in een Gemeentelijke bediening staan.



Hoofdstuk 5
Door God geroepen tot leiderschap in de Gemeente

Het is God, Die u roept
Een roeping tot het arbeidsveld van de Here Jezus Christus geschiedt vanwege God, de Here, Die ons PERSOONLIJK tot Zijn heilige dienst roept en ons hiertoe capabel maakt, nadat Hij ons heeft gereinigd (van ons oude, zondige leven) in en door Zijn Bloed.
“En die Hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.” (Rom. 8:30, HSV)
Aan de andere kant echter zal Hij die “dienstknechten” die Hij niet heeft geroepen tot Zijn dienst in of voor de Gemeente, “uitrukken” uit de plaatsen, die zij op eigen initiatief hebben ingenomen.
“Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.” (Matth. 15:13b, HSV)
Zo’n bediening zal namelijk niet de nodige zalving verkrijgen van God tot het voortbrengen van ‘eeuwigheidsvruchten’. Zulke “leiders” storten hun volgelingen met zich in het verderf, omdat zij dit Goddelijk werk MENSELIJK en dus (geestelijk) BLIND verrichten, zonder de Goddelijke kracht om het verderf (d.i. de macht van de zonde) te ontvluchten!
“Laat hen gaan; het zijn blinde geleiders van blinden. Als nu een blinde een blinde geleidt, zullen zij beiden in een kuil vallen!” (Matth. 15:14, HSV)
Laat het zo onder ons NIET zijn! Laat niemand zich een roeping aanmeten of aanpraten; wordt – zeker wat deze (heilige) arbeid betreft – niet de “geroepene” van mensen en roep uzelf niet tot een bepaalde arbeid; maar laat Hem u roepen, laat Hem u uitzenden in Zijn wijngaard! Niets geeft u zo’n zekerheid bij uw gaan en staan in het brengen van het Evangelie, dan het besef, de ervaring, dat Hij u PERSOONLIJK heeft geroepen. Als Hij u roept is er geen twijfel mogelijk. Neem bijvoorbeeld de roeping van Mozes, van Jozua en van zovelen, die Hij in Zijn Bijbel bij name heeft geroepen. Zo riep Hij de apostelen en werden Barnabas en Saul, de latere Paulus, door de Heilige Geest bij name geroepen. En dit doet Hij nu nog, vrienden! Velen kunnen niet op die roeping van God wachten en zijn uitgegaan – zichzelf tot Gods dienst geroepen hebbende of door mensen hiertoe “geroepen” zijnde – en werden later teleurgesteld; de ene mislukking na de andere in hun bediening ervarende. Ik wil niet zeggen dat God u niet kan gebruiken, als u uzelf stort op het arbeidsveld; zeer zeker kan Hij u gebruiken, indien u een heilig verlangen koestert om Hem dienstbaar te zijn. Maar héél wat anders is het om de druk van Zijn hand te ervaren, als Hij u persoonlijk tot deze geestelijke strijd heeft geroepen.
Van al de zonen van Isaï verkoos de Here God David, om hem te zalven tot koning over Zijn volk Israël, al was hij nog heel jong (en de jongste zoon van Isaï) en naar het oog (van de mens) de minste, maar hij was een man naar Gods hart! Er zijn in de Gemeente van de Here, ook in deze laatste dagen, geroepenen, die – NAAR DE MENS gesproken – liever “gestenigd” moesten worden, maar in wier leven Gods Hand is uitgestrekt……
Er zijn vele christenen die zich ik weet niet “wie” of “wat” wanen; maar daarom is het bij God nog niet zo! Wees daarom voorzichtig, ga in deze dingen nooit over één nacht ijs; wacht op de Here, Hij zal spreken!

Wat de geroepene kenmerkt: Een wonderbare gemeenschap met de Heilige Geest
Allereerst kennen zij die (waarlijk) door God geroepen zijn een wonderbare gemeenschap met de Heilige Geest, hetgeen nodig is om in dit leven en in de dienst (van God), waartoe zij geroepen zijn, VAST te staan, dat is: ONBEWOGEN (standvastig). U moet uit ervaring weten dat u de Heilige Geest ontvangen hebt, dat Hij (dat is: Gods Geest) in u woont! Wij weten dat het zegel van de doop met de Heilige Geest het spreken in tongen is! Méér nog dan het getuigenis van u, dat u de Heilige Geest hebt ontvangen, is het getuigenis van de Heilige Geest Zelf, dat Hij u “in bezit genomen” heeft, zodat u, net als Paulus, een “gevangene van Jezus Christus” bent, zodat Hij u, als Zijn instrument, in Zijn dienst kan roepen en gebruiken. Er zal dan in uw leven geen bede zijn van: “Here, Ik wil dit, wilt U het maar zegenen!”, maar het oprechte gebed: “Here, wat wilt U, dat ik voor U doen zal?”
Dan zal Gods Geest u heiligen en leiden naar die conditie, waar de glorie van God u vervult en omhult, waar u vol bent van de liefde van God! Alles om u heen kan dan wegvallen, maar de glorie van God zal voor u genoeg zijn. Het is daar, op die plaats van verrukkelijke aanbidding, dat Hij u Zijn wil openbaart; en u niets liever wilt doen dan Zijn wil…
Het is ons vlees, dat op deze weg hierheen gekruisigd moet worden (dus wij moeten afsterven aan onze oude, zondige, vleselijke natuur). Wij zullen veel verdrukkingen hebben (of krijgen) in het vlees, maar wij hebben de Heilige Geest om die verdrukkingen te boven te komen, om zo ons vlees (dat is: onze oude, zondige, vleselijke natuur) te overwinnen!
Ook zal Hij ons Zijn (Geestes)gaven toebedelen, om ons zo capabel te maken tot de dienst, waartoe Hij ons zal roepen. Een aardse werkgever voorziet zijn arbeiders van het nodige en leidt hen op tot de dienst, die hij van hen verlangt; hoeveel te meer onze hemelse Werkgever. Deze gaven moeten wij – onder Zijn leiding – tot ontwikkeling brengen, ze als het ware “opwekken”. Gaven zijn een zekere vorm van openbaring van de Heilige Geest. Wij hebben te leren hoe wij moeten rusten in Hem, opdat Hij door ons heen kan arbeiden, Zich door ons heen kan openbaren. En hoe wij, rustend in Hem en Zijn leiding, de nodige arbeid in Zijn Naam moeten verrichten, zodat die arbeid effect zal hebben. Wij moeten leren om niet de Heilige Geest te willen gebruiken, maar om door de Heilige Geest te worden gebruikt; Hij moet door ons heen kunnen spreken en handelen. Dit alles vraagt om een leerschool, om in de praktijk opgedane ervaring… Dàn pas zal Gods boodschap, gedragen door Zijn zalving, de harten van de toehoorders bereiken en die weten te beroeren tot bekering en overgave en tot toewijding aan Gods zaak! Glorie voor God!

De geroepene wordt verder gekenmerkt door een bediening overeenkomstig zijn roeping, waarin hij de werken, die Jezus deed, ook doet
Is God dienstknecht zó voorzien van het nodige en ingeleid tot het werk van zijn bediening, dan ontvangt hij van de Here van de Oogst persoonlijk de roep tot de bediening, die voor hem is weggelegd.
“Vrede zij u! ZOALS de Vader Mij gezonden heeft, ZEND IK OOK U.” (Joh. 20:21b, HSV)
Wij mogen deze zending koppelen aan de zendingsboodschap van de Here Jezus, die wij in Jesaja 61 vers 1-3 kunnen vinden, waarover later meer. Daarvandaan, dat Jezus getuigde:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze; want Ik ga heen naar Mijn Vader.” (Joh. 14:12, HSV)
Het zijn deze werken, overeenkomstig zijn bediening, die de roeping van de dienstknecht bewijzen.
“Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, geloof Mij dan OM DE WERKEN ZELF! (Joh. 14:11, HSV)
God alleen zij de eeuwige glorie!

Laten vleselijke motieven uw roeping niet bezoedelen
Indien u tot Zijn dienst geroepen bent, pas er dan voor op dat uw roeping zich niet (geleidelijk aan) ontwikkeld in een richting die NAAR HET VLEES is, een richting die wellicht UZELF behaagd, maar NIET DE HERE dient!
Als God u, als blanke, roept om Hem bijvoorbeeld in Afrika als zendeling te dienen, dan is het niet de bedoeling om daar speciaal de blanken te gaan bedienen – tenzij de Geest van God u dit uitdrukkelijk te kennen geeft – maar om het Evangelie te brengen aan AL de mensen van dat land! Want, de blanke hoort daar oorspronkelijk niet, die is of woont daar waarschijnlijk voor zaken of dienst. Menselijke sympathieën mogen nooit de motivatie zijn tot uw dienst voor het werk des Heren, maar alleen de liefde van God!
Ook mag een geroepen dienstknecht van God geen financieel gewin najagen. Is het toevallig zo, dat het merendeel van een Gemeente emigreert naar een ander land, dan wil het wel eens voorkomen, dat de herder van die Gemeente – zo maar opeens – ook een “roeping” krijgt voor dat land…
Er was eens een Indonesische arbeider van de Here, die een bepaalde Indonesische Gemeente had. Toen die Gemeente maar niet wilde groeien, omdat die arbeider ergens tekort schoot, had hij “zo maar opeens” een roeping voor de “Hollandse dienst”, ondanks het feit dat hij slecht zijn Nederlands sprak…

KLIK HIER om deze studie (deel 5) – die te lang is voor op het weblog – verder te lezen.[1]

CJH Theys
[2]

[1] Voor deel 1 t/m 4 van “Podium en Gemeente”, zie ons weblog van 4/6, 10/7, 10/8 en 10/9 en 10-10-2009.
[2] Voor meer over de schrijver van deze studie, zie het artikel op ons weblog van 23 augustus 2009.